Rechtspraak in vroegmiddeleeuws Frisia: een overzicht

Gepubliceerd op 8 februari 2026 om 12:10

Als men spreekt over Frisia, kan het Friese recht niet ontbreken! Het Oudfriese recht is daarentegen een bijzonder onderwerp. De Oudfriese (wets)teksten, die ons zijn overgeleverd, zijn opgesteld in de twaalfde tot vijftiende eeuw. Deze eeuwen zijn onderdeel van een tijdperk in de Friese geschiedenis dat bekend staat als de ‘Friese Vrijheid’. Gedurende deze tijd kenden Midden- en Oost-Frisia geen landsheer, zoals een graaf, waardoor de maatschappij uit de vroege middeleeuwen min of meer onverandert werd voortgezet tot in de vijftiende eeuw. Frisia had dus een uitzonderingspositie tegenover de rest van Europa. De Oudfriese wetsteksten uit de veertiende en vijftiende eeuw speelden een belangrijke rol in het legitimeren van deze uitzonderingspositie van Frisia. Ondanks dat deze teksten later zijn opgeschreven dan de negende eeuw, vullen zij onze kennis aan van het recht dat gesproken werd in vroegmiddeleeuws Frisia. Dit bericht poogt zodoende aan de hand van vroeg en hoog middeleeuwse bronnen en literatuur een beeld te scheppen van het vroegmiddeleeuwse Friese recht uit de negende eeuw. Hierbij worden de maatschappelijke context, de organisatie van de rechtspraak en de toepassing van de rechtspraak behandeld. Toelichtingen op bepaalde begrippen staan onderaan de desbetreffende paragraaf genoteerd.

Maatschappelijke context: het kader waarin het recht beschouwd moet worden.


Lex Frisionum
Naast de verschillende Oudfriese wetsteksten uit de twaalfde tot vijftiende eeuw, beschikken we over één vroegmiddeleeuwse rechtstekst met betrekking tot Frisia: de Lex Frisionum. Deze ‘wet van de Friezen’ is eind achtste eeuw opgeschreven toen de Friezen onder Karolingisch gezag waren komen te vallen. In de Lex Frisionum wordt een beeld geschetst van vroegmiddeleeuws Frisia aan de hand van wetten die in de Friese gebieden van kracht waren, en tot toen toe mondeling werden overgedragen. Uit deze optekening van het Friese recht wordt daarmee, naast de wetten die golden, duidelijk welke gebieden tot Frisia behoorden onder Karolingisch gezag, namelijk: West-Frisia, Midden-Frisia en Oost-Frisia. Noord-Frisia nabij Denemarken werd niet opgenomen in de wetstekst, omdat dit gebied niet veroverd was door de Karolingers. De wetten en regels van Midden-Frisia zijn in de wetstekst als uitgangspunt gebruikt. Afwijkende wetten voor West- en Oost-Frisia werden vermeld als notities in de kanttekening, en in de twee Additiones Sapientum of toevoegingen van de rechtsgeleerden Wlemar en Saxmund.

Maatschappij
Uit de Lex Frisionum wordt tevens duidelijk wat voor maatschappij in vroegmiddeleeuws Frisia bestond. In de wetstekst komen ten eerste verschillende standen naar voren. Een stand is een sociale laag waar men vanaf hun geboorte aan toebehoorde. De standen waarover de Lex Frisionum spreekt zijn de adel (nobiles), de vrijen (liberti), de halfvrijen (liti) en de slaven (servi). (Zie ook ons eerdere bericht ‘Onvrijen in vroegmiddeleeuws Frisia’.) De verschillende standen waren niet gelijk. Iedere stand had verschillende rechten – of een gebrek daaraan – en verschillende te betalen compensaties bij eerkrenkingen, schade aan lichaam of bezit, en doodslag. Met andere woorden, niet iedere stand was hetzelfde waard. Dit blijkt onder ander uit de volgende passage uit de Lex Frisionum over compensaties voor doodslag:


Compositio hominis nobilis, librae XI per veteres denarios. Compositio liberi, librae V et dimida per veteres denarios. Compositio liti, libra II et enciae IX, ex qua duae partes ad dominum pertinent, tertia ad propinquos eius. Compositio servi, libra I et unciae IIII et dimidia. (Tit. XV: De Compositionibus wergildi)

De boete voor een edele bedraagt 11 pond in oude penningen. De boete voor een vrije man 5 en een half pond in oude penningen. De boete voor een horige 2 pond en 9 ons, waarvan twee delen aan de heer toekomen en het derde aan zijn verwanten. De boete voor een slaaf 1 pond en 4 ons en een half. (Tit. XV: Van weergeldboetes)


De compensatie voor doodslag die in de passage beschreven worden, worden aangeduid met weergeld*. Uit het weergeld en de overige boetes* voor verwondingen blijkt daarnaast dat vroegmiddeleeuws Frisia – evenals overige Germaanse samenlevingen -, naast een standenmaatschappij, ook een vetemaatschappij was. Dit is een samenleving zonder een sterke, centrale overheid die een geweldsmonopolie bezit en waar vrije mannen – de adel – samen de rechtsstaat vormen. In een vetemaatschappij spelen eer, wraakneming en de gemeenschap een belangrijke rol. Eer is volgens niet-Westers socioloog Frank Henderson te beschouwen als ‘het recht op respect’ (Nijdam 2010). Een belediging in woord of daad, of in het ergste geval fysiek geweld – aantasting van iemands bezit, verkrachting, fysieke mishandeling, doodslag of moord –, kon zodoende het bestaansrecht van iemand (:edellieden of vrijen), of de groep of familie waartoe hij of zij behoorde, beschadigen binnen de gemeenschap. In een vetemaatschappij moest de eer van iemand of de groep ten koste van alles worden bewaard. Een belediging of fysiek geweld kon leiden tot wraak om de machtsongelijkheid en inbreuk van eer te herstellen. Het gevolg kon leiden tot een aaneenschakeling van geweld tussen twee groepen mensen: een vete. Een vete kon worden verzoend, al kon dit decennia op zich laten wachten. Om te voorkomen dat de samenleving ontwrichtte was een compensatieregeling nodig om gekrente eer te compenseren.

Wondlijsten en boetes.
Om verwondingen te compenseren en gekrenkte eer te herstellen – en daarmee wraakneming en vetes te voorkomen – kon wraakneming worden afgekocht met een geldbedrag. De Lex Frisionum bestaat voor een derde uit een zogenaamde ‘wondlijst’, waarin compensaties voor lichamelijke verwondingen genoteerd stonden. De lijsten behandelen compensaties voor letterlijk ieder lichaamsdeel; beginnend bij verwondingen aan het hoofd of toebehorenden (zoals ogen, oren, neus, etc.) tot aan de tenen. Naast compensaties voor lichamelijke verwondingen bevatten de wondlijsten van de Lex Frisionum enkele compensaties voor eerkrenkende handelingen, zoals iemand bij de haren grijpen (Tit. XXII. 65) of iemand in het water gooien (Additio Sapientum 66). Interessant aan de wondlijsten is bovendien hun ouderdom. De wondlijsten lijken namelijk, gebaseerd op de overeenkomsten met de wetstekst van Koning Aethelbert van Kent rond 600 n.chr in Engeland én aanwijzingen dat de geldstandaard van het weergeld oorspronkelijk gebaseerd lijkt te zijn op de Byzantijnse solidus, terug te gaan tot de zesde of zevende eeuw – in ruime zin gelijktijdig met de tijd waarin de nieuwe Friezen zich vestigden in het Friese kustgebied in de vijfde eeuw! (Nijdam 2023).

---
*Het eerste deel van het woord weergeld, weer-‘, is een Germaanse evenknie van het Latijnse vir, dat ‘man’ betekent. Het ‘weer-‘ gedeelte komt ook voor in de woorden weerwolf (let. ‘manwolf’) en wereld (let. tijdperk van de mens). Het laatste deel ‘geld’, betekende oorspronkelijk ‘compensatie’. Iets dat in het huidige woord ‘vergelding’ is terug te vinden.
                Het woord ‘boete’ had als oorspronkelijke betekenis compensatie, vergelding, reparatie en hangt etymologisch samen met het element bet- in ‘beter’. Met een boete maakt men dus iets weer beter, iets weer goed. De oorspronkelijke betekenis van het werkwoord ‘boeten’ is bewaard gebleven in ‘netten boeten’: visnetten maken, repareren en in – al wel met een religieuze ondertoon – in ‘boetedoening’. Heden ten dage verwijst het zelfstandig naamwoord ‘een boete’ naar een compensatie aan de staat.

Dingvergadering: organisatie van de rechtspraak.

Het ding
De compensaties van de wondlijsten en het weergeld werden in de praktijk gebracht in de rechtspraak tijdens een dingvergadering. Het ‘ding’, in het Oudfries thing*, was een bijeenkomst waarin allerlei verschillende zaken besproken werden die betrekking hadden op het volk dat in een bepaalde gouw leefde, zoals rechtspraak, militaire, politieke en religieuze zaken. Aangenomen wordt dat dingvergaderingen in vroegmiddeleeuws Frisia op drie soort niveaus plaatsvonden, waarvan de gouw of pagus de middelste was. Het hoogste niveau was dat van de civitas. In het geval van vroegmiddeleeuws Frisia komt dit overeen met een dingvergadering die het geheel van West-, Midden- of Oost-Frisia vertegenwoordigd. Het laagste niveau zou dat zijn van de centena of honderd (Nijdam 2021). Er bestaat echter veel onduidelijkheid en debat over wat met deze term bedoeld wordt. Mogelijk dat de term duidt op een buurtschap. Per jaar werden drie vaste dingen gehouden. Daarnaast konden ook incidentele dingvergaderingen afgekondigd worden: het bodthing of ‘geboden ding’ (Dijkstra 2011). Deze wijze van vergaderen was niet enkel Fries, maar kwam in de hele Germaanse wereld voor. Bekende voorbeelden van dingvergaderingen buiten Frisia zijn het Alþing op de Þingvellir (let. dingvelden) op IJsland en de dingvergadering van de Saksen bij Markelo voor hun verovering door Karel de Grote.                                                                                                                                          
                  Veel voormalige dingplaatsen in vroegmiddeleeuws Frisia zijn overigens bekend. Aangenomen wordt dat dit veelal dingplaatsen waren die op gouw-niveau plaats vonden. In West-Frisia zijn de meeste bekend: voor het Rijnland is een dingplaats bekend bij Katwijk-Klein Duin, voor Kennemerland het Huldtoneel of Schepelenberg bij Heemskerk, voor Texel de Sommeltjesberg, en voor het Maasland mogelijk de Naaldwijkse Geest. In Midden-Frisia vormden Franeker en Dokkum waarschijnlijk de dingplaatsen van respectievelijk Westergo en Oostergo. In Oost-Frisia zijn de minste dingplaatsen bekend: voor Federgo mogelijk reeds de Opstalsboom bij Aurich (Dijkstra 2011, 300). Mogelijk dat bij Jever een dingplaats bestond voor de gouw Rüstringen.                                          
                 Opvallend aan vrijwel alle voormalige dingplaatsen is hun locatie op of nabij grafheuvels of grafvelden. Het ding had een sacraal karakter: voor een dingvergadering begon werd het ding afgebakend, afgekondigd en gewijd, zodat in ruimtelijke en temporele zin een gemarkeerde plek ontstond, die met een speciale vrede (thingfrethe) omgeven was. Iedereen die deze vrede verbrak en geweld pleegde op het ding moest een hoog vredegeld betalen (Nijdam 2013). De plaatsing van het ding op grafheuvels of grafvelden is in dit licht niet willekeurig: in de voor-christelijke wereld speelden de voorouders een belangrijke rol in de begeleiding en legitimering van het recht en macht. De voorouders bleven ook na hun dood dus deel uit maken van de gemeenschap.


---
*De hedendaagse betekenis van het woord ‘ding’ heeft in verschillende Germaanse talen de betekenis van ‘zaak’, ‘voorwerp’ gekregen via de betekenis ‘gerechtszaak’, ‘zaak’ dat op een dingvergadering besproken werd. Het in de loop der tijd uitbreiden en algemener worden van de betekenis van een woord, wordt ‘veralgemeniseren’ (broadening) genoemd in de taalkunde.

Voormalige dingplaatsen op een kaart van vroegmiddeleeuws Frisia. Alle genoemde plaatsnamen in dit bericht zijn gebundeld en op een kaart weergeven. De voormalige dingplaatsen zijn aangegeven met een rode stip.


Rechtspraak: het gesproken recht in de praktijk.

Rechtsgang
De Lex Frisionum geeft tevens weer hoe de rechtsgang in grote lijnen verliep in vroegmiddeleeuws Frisia. Latere Oudfriese wetsteksten, zoals het Oud Schoutenrecht en het Jong Schoutenrecht, bevestigen de informatie en vullen bepaalde details aan, waardoor we een goed beeld kunnen scheppen van de rechtspraak op het ding in vroegmiddeleeuws Frisia. In onderstaande volgt een kenschets hoe een rechtsgang in grote lijnen verliep op het ding (Nijdam 2013):

1. Een klagende partij bracht een aanklacht in aan de rechter (redieva, riuchtere, skelta) en rechtskenner (asega) op het ding. Uit het Oud Schoutenrecht en het Jong Schoutenrecht weten we dat de klager (onspreker) met een aanklachtseed moest zweren dat hij de waarheid zou spreken.*
2. Vervolgens volgde volgens de Oudfriese wetsteksten een dagvaarding (ladinge) van de aangeklaagde naar het ding, die door een gerechtsbode (bon of banner) bij zijn huis werd afgekondigd. Als alle partijen op het ding waren, sprak de rechter namens de aanklager de aanklacht uit.
3. De aangeklaagde kreeg nu de keus of hij bekende of ontkende. Als de aangeklaagde bekende, werd hij schuldig bevonden en moest hij de compensatie betalen. Als de aangeklaagde ontkende moest hij zich vrijzweren – al naar gelang de ernst van de aanklacht met meerdere eedhelpers die zworen dat de aangeklaagde een man van eer was en hij de waarheid sprak. De eedhelpers stonden dus in voor de eer en betrouwbaarheid van de aangeklaagde en dienden niet als getuigen van een misdaad. Uit het Jong Schoutenrecht wordt duidelijk dat de aangeklaagde ook kon kiezen voor bedenktijd, naast te bekennen en ontkennen.
4. Als de klager de vrijzwering niet aanvaardde of de twee partijen niet eens konden worden kon er een beroep worden gedaan op het veterecht of op het godsoordeel. Het laatste was een proef waarbij de uitkomst van een rechtzaak in de handen van de hogere machten – in voor-christelijke tijden; goden, in christelijke tijden; God – werd gelegd (zie verder bij Godsoordeel).

Men kon zich in de vroege middeleeuwen vrijzweren van een aanklacht. Voor ons komt dit wellicht eenvoudig over, maar hier moet niet te licht over gedacht worden. Ten eerste moet het zweren van een eed tegen de achtergrond van de vetemaatschappij worden gezien: als men meineed zou zweren, verloor diegene diens eer en betrouwbaarheid. Dit gold eveneens voor de eedhelpers die zich door hun eed hadden verbonden aan de aangeklaagde. De eedhelpers stonden zodoende voor de afweging of zij hun eer voor de aangeklaagde in de weegschaal wilden stellen. Ten tweede werd de eed door de klagende partij opgesteld. De eed moest precies zo door de aangeklaagde uitgesproken worden, anders werd het als ongeldig beschouwd. Hiermee samenhangend was bovendien dat het ding een sacraal karakter had: meineed plegen werd zodoende tevens beschouwd als heiligschennis. Men kon in vroegmiddeleeuws Frisia een eed zweren op verschillende objecten, namelijk: op relieken (LexFr. Tit. X), op kleding (Tit. III. 5.), en op bezit (fia-eth)*, zoals vee, geld of een zwaard (Nijdam 2013).                    
                Van sommige archeologische vondsten uit Friesland en Groningen is bekend dat ze zijn gebruikt bij de rechtspraak. Allereerst zijn in Arum (Fr.) en Rasquert (Gr.) vondsten gedaan van zogenaamde ‘eedzwaardjes’. Het wordt aangenomen dat de twee kleine zwaardjes van respectievelijk taxushout en walvisbeen zijn gebruikt om eden op af te zweren of om er mensen mee te dagvaarden voor een zitting van het gerecht (Looijenga 2003). De eerste uitleg suggereert dat, naast een werkelijk zwaard, een symbolisch zwaard – mogelijk bij gebrek aan een werkelijk zwaard – als voldoende werd beschouwd. Beide eedzwaardjes dragen bovendien runenstaven: de inscriptie van Arum luidt edæboda, dat zich naar ‘eed-bode’ vertaald, en de inscriptie van Rasquert ek:umædit:oka, dat vertaald wordt met ‘ik, Oka, ben niet woedend (geworden)/verminkt’ (Looijenga 2003). De inscriptie uit Arum beschrijft de taak van het eedzwaardje en de inscriptie uit Rasquert het doel – of ons inziens: bezwering – van de rechtspraak: voorkomen dat men met geweld in een vete uitmondt. Beide zwaardjes worden gedateerd tot de late achtste eeuw.                             Bovendien is in Bernsterburen (Fr.) een walvisbenen staf met runenstaven gevonden. Een van de theorieën is dat dit soort staven een attribuut was van een rechter (Looijenga 2003). De staf bestaat uit zeven gebroken onderdelen met een T-vormige handgreep dat aan beide uiteinden eindigt in een gestileerd paardenhoofd. De runenstaven op de staf lezen als volgt: tuda æwudu (of æludu) kiusþu tuda. Runologe T. Looijenga suggereert de vertaling ‘Tuda, Aludu moet je kiezen Tuda’ voor, maar geeft tevens aan dat een letterlijke vertaling van de losse woorden ‘volk, getuigen/eedhelpers moet je kiezen, volk’ kan zijn (Looijenga 2003). Als uitgegaan wordt van de laatste vertaling, kan het wederom opgevat worden als een bezwering om een rechtsgang in goede banen te leiden. De staf wordt gedateerd tot rond 800 n.chr..

Het 'eedzwaardje' van Arum met runeninscriptie edæboda. Fries Museum, collectienummer 80E-1

Walvisbenen staf met runen uit Bernsterburen. Fries Museum, collectienummer 44B-2.


Godsoordeel

In bovenstaande kenschets werd duidelijk dat de klager een beroep kon doen op het godsoordeel. Verschillende soorten godsoordelen zijn bekend. Een daarvan waren de vuurproeven. Hierbij moest de aangeklaagde over hete ploegscharen lopen, een hete staaf vasthouden, of zijn hand in kokend water steken (heetwaterproef). Bij deze soort proeven ging het er om dat de wonden binnen een bepaalde tijd genazen: als de wond ontstak, was de aangeklaagde schuldig.
                Een ander soort godsoordeel was de tweekamp (strid, kamp, thingkampene). Bij de tweekamp konden de beide partijen in het strijdperk treden of – in ieder geval in de twaalfde eeuw – een professionele kampvechter (kempa) inhuren.* De gang van een tweekamp wordt beschreven in het Oud Schoutenrecht uit de twaalfde eeuw: als het tot een tweekamp kwam zworen de twee kempan een strijdeed (strideth) en betraden ze daarna het strijdperk (kampstal of ham). De afmetingen van het strijdperk waren aan alle kanten ‘tria ende sextigha foeta breed’, wat volgens rechtshistoriscus Han Nijdam ongeveer 19 meter is (Nijdam 2008, 170). Elke kempa kreeg de beschikking over twee zwaarden, een schild en een speer. Gedurende de tweekamp waren de schout, asega en scheidsrechters (gretwerderan) aanwezig. De strijd kon, afhankelijk van het vergrijp waarover gevochten werd, ten hoogste drie dagen duren met waarschijnlijk één ronde per dag. De tweekamp werd gewonnen door de kempa die als eerste een bloedende wond toebracht aan de tegenstander (Nijdam 2023b). Evenknieën van het Friese gerechtelijke tweekamp komen tevens voor in Scandinavië; de hólmgang (Ciklamini 1963).


---
*De Oudfriese termen redieva en riuchtere betekenen letterlijk ‘raadgever’ en ‘rechter’. De term skelta betekent letterlijk ‘schuldzegger’(: skelt = schuld) en is verwant met het hedendaagse woord ‘schout’. De term asega betekent letterlijk ‘wetzegger’(: a-sega). Het onderdeel a is verwant aan ee (in: ‘eega’, ‘eeuw’, ‘Ewoud’, ‘Erik’) dat oorspronkelijk ‘wet’, ‘goddelijk recht’ en later ook ‘huwelijk’ betekende. Het onderdeel sega is verwant aan ons woord ‘zeggen’.
                Fia-eth betekent letterlijk ‘vee-eed’: een eed gezworen op ‘vee’ dat in de vroege middeleeuwen de maatstaaf was van bezit. Dit wordt weerspiegeld in de rune ‘fehu’ uit het futhark-runenalfabet.
                Kempa, uit het Proto-West Germaanse *kampijo (strijder) of Latijnse campio (strijder). Het woord is te herkennen in de hedendaagse woorden ‘kampioen’, ‘kemphaan’ (let. ‘vechthaan’) en ‘kamp’ (strijd). Denk bij het laatste woord ook aan ‘ergens mee te kampen hebben’.

Conclusie

Om het vroegmiddeleeuwse recht te begrijpen is kennis nodig van de maatschappij waarin het recht gesproken werd. De vroegmiddeleeuwse Friese maatschappij werd gekenmerkt door standen en geweld, waarin gekrenkte eer in een vete kon uitmonden. Het recht en rechtspraak werd afgestemd om vetes te voorkomen: de dader compenseerde rechtstreeks (de familie van) het slachtoffer in de vorm van weergeld en compensaties voor eerkrenkingen en beledigingen in woord of daad. Gekrenkte eergevoelens werden – zo goed als mogelijk – hersteld op het ding. Bij de rechtspraak werd een beroep gedaan op de eer van de dader binnen de gemeenschap, om diens betrouwbaarheid te verzekeren met behulp van eedhelpers. Men had zodoende de gemeenschap nodig om zich vrij te pleiten bij ernstige aanklachten. Indien dit niet werd aanvaard, werd de aanklacht in handen van hogere machten gesteld met het godsoordeel. De plaatsing van rechtspraak op of nabij grafheuvels of -velden, het wijden van de dingplaats en de uitkomst van een rechtszaak overlaten aan hogere machten (voorouders, goden of God) tonen aan de rechtspraak werd beschouwd als iets heiligs: goddelijke orde weerspiegelde wereldlijke orde. Dit was het doel van het recht. Het recht moest ervoor zorgen dat de samenleving rust en stabiliteit behield in een gewelddadige vroegmiddeleeuwse wereld. De rechtspraak schiep orde in de chaos.

 

 

Impressie van een hólmgang in Scandinavië. Het gerechtelijk tweekamp, en het strijdperk waarin gestreden werd, zag er in Frisia vergelijkbaar uit.

Afbeelding van twee kampvechters op de kerk in Westerwijtwerd (Groningen). Deze afbeelding beeldt hoogmiddeleeuwse Friezen uit.

Impressie van een dingvergadering: de Opstalsboom.

 

Bronnen

  • Ciklamini, M., ‘The old Icelandic duel’, Scandinavian studies 35:3 (1963) 175-194.
  • Dijkstra, M., Rondom de mondingen van Rijn en Maas (Leiden 2011) 298-301.
  • (Nijdam 2010) Nijdam, H., ‘Belichaamde eer, wraak en vete. Een historisch- en cognitief-antropologische benadering’, Tijdschrift voor Geschiedenis 123:2 (2010) 192-207.
  • (Nijdam 2023b) Nijdam, H., D. Spiekhout en C. Van Dijk, ‘De culturele betekenis van het tweesnijdende zwaard in middeleeuws Frisia’, Vrije Fries 103 (2023) 146-163, aldaar 148-158.
  • (Nijdam 2022) Nijdam, H., ‘De middeleeuwse Friese samenleving. Vrijheid en recht’ in: D. Spiekhout (red.), Vrijheid, vetes, vagevuur. De middeleeuwen in het noorden (2022) 21-31.
  • (Nijdam 2023) Nijdam, H., J. Hallebeek, H. De Jong, Frisian land law. A critical edition and translation of the Freeska Landriucht (Leiden 2023) 3-11.
  • (Nijdam 2021) Nijdam, H., ‘Law and political organization of het early medieval frisians (c. AD 600-800)’ in: J. Hines en N. IJssennagger-van der Pluijm (red.), Frisians of the early middle ages (2021) 137-170.
  • (Nijdam 2008) Nijdam, H., Lichaam, eer en recht in middeleeuws Friesland (2008) 53-62, 67-70, 74-76, 149-151, 165-166, 169-173.

    Webstedes
  • Lex Frisionum, Tekst en vertaling door K. Nieuwenhuijsen: http://www.keesn.nl/lex/lex_nl_text.htm
  • Viking Answer Lady, Hólmgang and Einvigi: Scandinavian forms of the duel: https://www.vikinganswerlady.com/holmgang.shtml (geraadpleegd 15 november 1998).
  • Taaldacht, Vergeten woorden – E; ee: https://taaldacht.nl/vergeten-woorden-e/ (geraadpleegd 5 september 2011).

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.